langslopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • langs·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
langslopen
liep langs
langsgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

langslopen

  1. alle onderdelen van een lijst een voor een aandacht geven
    • Voordat een vliegtuig mag opstijgen moeten alle items van de checklist worden langsgelopen. 
  2. ergens in de buurt gaan
    • Het spoor loopt vlak voor zijn huis langs. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.