kringelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking

krin·ge·len

Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kringelen
kringelde
gekringeld
zwak -d volledig

Werkwoord

kringelen

  1. inergatief zich in cirkels blijven bewegen
    • De rook kringelde boven de kampvuren omhoog. 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Verwijzingen