kazakje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·zak·je
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kazakje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kazak
    • Niet nodig het zondagspakje aan te trekken, hoor. De Meester wil gaarne Pia zien zoals zij hier rondloopt, met haar rood kazakje, blootvoets, en zonder broek, maar ge moogt ze wel een veeg geven van de spons, niet waar? [1]

Gangbaarheid

Verwijzingen