jota

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jo·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘Griekse letter’ voor het eerst aangetroffen in 1580 [1]
  • een kleine Griekse of Hebreeuwse letter [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord jota jota's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jota v/m [3]

  1. de Griekse letter "i" de kleinste letter van het alfabet
  2. de 10de letter van het Hebreeuwse alfabet
  3. een kleinigheid
    • Laat Obama zijn eigen redevoeringen van vier jaar terug nog eens doorlezen, laten ook zijn Europese partners dat nog eens doen. Met al die voorgenomen en toegezegde defensie-uitgaven zal de wereld immers geen jota veiliger worden.[4]  
Uitdrukkingen en gezegden
  • ik snap er geen jota van
ik snap er helemaal niets van
  • er klopt geen jota van
iets is helemaal fout
  • Ik ben overgestapt van energieleverancier en krijg een absurd hoge eindafrekening. Er klopt geen jota van die nota. Wat moet ik doen? [5]
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen