intreding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·tre·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord intreding intredingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

intreding v [1]

  1. deel gaan uitmaken van een groep
    • In het nieuwe Gelderse bestuur is Co Verdaas (PvdA) de enige die ook in het vorige college zat. Nieuw zijn twee VVD’ers: Jan Markink, die sinds een jaar wethouder in Berkelland is en zestien jaar in de Staten van Gelderland zat. Hij nam vorige maand afscheid, maar keert nu al terug als gedeputeerde. Zelf houdt Markink nog een slag om de arm en wil hij na een positieve uitslag van de stemming onder de fracties in de Provinciale Staten inhoudelijk op zijn intreding reageren. [2] 
    • Voordat Bannon campagne-adviseur van Trump werd, was hij de baas van de controversiële, conservatieve nieuwssite Breitbart. Sinds zijn intreding in het Witte Huis heeft Bannon een grote invloed gehad op het beleid van Trump. Zo zorgde hij ervoor dat het inreisverbod voor burgers uit zeven landen in het Midden-Oosten ook gold voor mensen met een permanente verblijfsvergunning - tegen de wens van het ministerie van Binnenlandse Veiligheid in. [3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen