interieur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·te·ri·eur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord interieur interieurs
verkleinwoord interieurtje interieurtjes

Zelfstandig naamwoord

interieur o

  1. het inwendige van een gebouw, auto, vliegtuig...
    Het interieur was professioneel ingericht.
Antoniemen