Naar inhoud springen

interieur

Uit WikiWoordenboek
  • in·te·ri·eur
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het inwendige’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • Van Frans intérieur (het binnenste)
enkelvoud meervoud
naamwoord interieur interieurs
interieuren
verkleinwoord interieurtje interieurtjes

hetinterieuro

  1. het inwendige van een gebouw, auto, vliegtuig...
    • Het interieur was professioneel ingericht. 
     Sinds de vorige keer was het interieur op de schop gegaan: het kogelvrije glas was verwijderd en de balie was beplakt met een fineerlaag van eikenhout waarop een vetplant was neergezet.[2]
     De rijke houten bekleding gaf het interieur een warme en verwelkomende sfeer.[3]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]