exterieur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·te·ri·eur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uiterlijk, buitenkant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1669 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen exterieur exterieurder exterieurst
verbogen exterieure exterieurdere exterieurste
partitief exterieurs exterieurders -

Bijvoeglijk naamwoord

exterieur

  1. uitwendig.
    • Hij is gespecialiseerd in exterieure groenvoorziening. 
enkelvoud meervoud
naamwoord exterieur exterieurs
exterieuren
verkleinwoord exterieurtje exterieurtjes

Zelfstandig naamwoord

exterieur o

  1. de buitenkant van een gebouw
    • Het exterieur was mooi versierd. 
Antoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen