Naar inhoud springen

impose

Uit WikiWoordenboek
vervoeging
onbepaalde wijs to  impose 
he/she/it  imposes 
verleden tijd  imposed 
voltooid
deelwoord
 imposed 
onvoltooid
deelwoord
 imposing 
gebiedende wijs  impose 

impose

  1. overgankelijk (geforceerd) opleggen, opdringen
  1. impose, Online Etymology Dictionary
vervoeging van
imposer

impose

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van imposer
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van imposer
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van imposer