opdringen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·drin·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opdringen
drong op
opgedrongen
klasse 3 volledig

Werkwoord

opdringen

  1. ergatief dringend zich in een bepaalde richting begeven
    • De vijand was een heel stuk opgedrongen. 
  2. ditransitief iemand tegen zijn zin (iets) doen aannemen, tegen heug en meug opleggen
    • Hij kreeg een positie opgedrongen die hij liever niet bekleedde. 
  3. wederkerend zich ~: met kracht oprijzen, voor de verbeelding komen
  4. wederkerend zich ~: met alle middelen iemands gezelschap of genegenheid zoeken
Verwante begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.