ijselijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ij·se·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verschrikkelijk’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • Naamwoord van handeling van het verouderde werkwoord ijzen met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ijselijk ijselijker ijselijkst
verbogen ijselijke ijselijkere ijselijkste
partitief ijselijks ijselijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

ijselijk

  1. afschuwelijk.
    • Het was haar niet alleen ontnomen, maar tot de ijselijkste kwelling gemaakt.[2] 

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen