ijselijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ij·se·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verschrikkelijk’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • Naamwoord van handeling van het verouderde werkwoord ijzen met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ijselijk ijselijker ijselijkst
verbogen ijselijke ijselijkere ijselijkste
partitief ijselijks ijselijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

ijselijk

  1. afschuwelijk.
    • Het was haar niet alleen ontnomen, maar tot de ijselijkste kwelling gemaakt.[2] 
     Haar neus ligt bijna op de stuurpen als ze de laatste krachten in het geteisterde gestel aanspreekt.[3] Woorden schieten nu zelfs tekort. Een ijselijke kreet galmt over de weide op de top van La Planche des Belles Filles. ‘Aaaargh!’

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. "ijselijk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Van de koele meren des doods, Frederik van Eeden, Amsterdam, Versluys, 1900, bladzijde 169
  3. Bronlink Weblink bron Rob Gollin “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant