iezegrim

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ie·ze·grim
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘brompot’ voor het eerst aangetroffen in 1401 [1]
  • Naar een van de hoofdpersonages uit het 12e-eeuwse dierdicht Ysengrimus, die tevens voorkomt in Van den vos Reynaerde [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord iezegrim iezegrims
iezegrimmen
verkleinwoord iezegrimmetje iezegrimmetjes

Zelfstandig naamwoord

iezegrim m

  1. iemand die neigt tot mopperen
    • Wat een iezegrim is dat, zeg! 
Synoniemen
Schrijfwijzen
Vertalingen

Gangbaarheid

36 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen