hechtsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hecht·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hechtsel hechtsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hechtsel o [1]

  1. datgene waarmee men iets vastmaakt of dichtmaakt
  2. datgene waarmee men iets dichtknoopt of vastgespt

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.

Verwijzingen