hallen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hal·len

Zelfstandig naamwoord

hallen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hal

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • hal·len
Naar frequentie 11851

Zelfstandig naamwoord

hallen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van hall


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • hal·len
Naar frequentie 8647

Zelfstandig naamwoord

hallen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van hall


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • hal·len
Naar frequentie 4432

Zelfstandig naamwoord

hallen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van hall


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
hallar

hallen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van hallar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van hallar