hab

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

hab v

  1. (spreektaal) gewoonte
    «Comme d’hab, mon examen de math, je le révise la veille.»
    Zoals gewoonlijk neem ik mijn wiskunde-examen de avond tevoren door. [1]

Verwijzingen


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • hab

Werkwoord

hab

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van hawwe
    «Ich hab sell arrig indersannt gefunne.»
    Ik heb dat zeer interessant gevonden.

Voegwoord

  • ich hab (eerste persoon enkelvoud)
  • er hot (derde persoon enkelvoud mannelijk)
  • sie hot (derde persoon enkelvoud vrouwelijk)
  • es hot (derde persoon enkelvoud onzijdig)
Opmerkingen