grendel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gren·del
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schuifbout voor deuren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord grendel grendels
verkleinwoord grendeltje grendeltjes

Zelfstandig naamwoord

grendel m

  1. een voorwerp, meest in de vorm van een metalen staaf, die de opening van een deur verhindert
    • Deze stevige grendel maakt vrijwel onmogelijk de bankkluis te kraken. 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • achter slot en grendel
    • goed en stevig opgesloten

Werkwoord

vervoeging van
grendelen

grendel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grendelen
    • Ik grendel. 
  2. gebiedende wijs van grendelen
    • Grendel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grendelen
    • Grendel je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen