granito

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

granito
Uitspraak
Woordafbreking
  • gra·ni·to
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Italiaans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord granito granito's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

granito o [2]

  1. (bouwkunde) mix van cement en marmergranulaat dat men in gepolijste vorm gebruikt voor vloer- , trap- en aanrechtbedekking
    • Terrazzo (of granito) ken je misschien uit herenhuizen en stadsappartementen. Vooral in de jaren ‘20 en ‘30 van de vorige eeuw werd de mix van cement en marmergranulaat populair als vloer- en trapbedekking. [3] 
    • Hier had ik op een zaterdag in het voorjaar van '78 wanhopig de ene medische hulpdienst na de andere staan bellen, louter antwoordmachines oogstend, terwijl de eerste droppen helderrood bloed uit mijn broekspijp op het granito vloertje spatten: een geval van onstelpbaar gescheurde voorhuid. [4] 
    • Later trekken familieleden naar Winterswijk en naar Doetinchem, om daar aan de slag te gaan. Tientallen jaren gaan de zaken voor de wind. ,,De Monasso’s maakten behalve vloeren ook granito aanrechten.” In de jaren zestig keren de kansen. Het arbeidsintensieve terrazzowerk legt het af tegen de moderne systeemkeuken. De zaken worden opgeheven. [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

58 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen