glima

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Atjehs

glima: granaatappel

Zelfstandig naamwoord

glima

  1. (plantkunde), (voeding) granaatappel, een soort struik waaraan granaatappels groeien Punica granatum op Wikispecies

Meer informatie


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • gli·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Oudnoors.
Naar frequentie > 50000

Zelfstandig naamwoord

glima

  1. (sport) een Oudnoorse en IJslandse vorm van worsteling

Zelfstandig naamwoord

glima,

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van glime
Schrijfwijzen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • gli·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • Bijvoeglijk naamwoord: Bijvoeglijk gebruik van het voltooid deelwoord van de Nynorske werkwoorden glima en glime.
  • Zelfstandig naamwoord: Ontleend aan het Oudnoors.
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud glima
o enkelvoud glima
meervoud glima
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
glima

Bijvoeglijk naamwoord

glima

  1. geblonken, geschitterd
Schrijfwijzen

Werkwoord

glima

  1. onbepaalde wijs, tweede vorm naast glime, zie aldaar

glima

  1. verleden tijd van glima
  2. voltooid deelwoord van glima
Schrijfwijzen

glima

  1. gebiedende wijs van glima
Schrijfwijzen

Werkwoord

glima

  1. verleden tijd van glime
  2. voltooid deelwoord van glime
Schrijfwijzen

glima

  1. gebiedende wijs van glime
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

glima

  1. (sport) een Oudnoorse en IJslandse vorm van worsteling