gietlepel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • giet·le·pel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gietlepel gietlepels
verkleinwoord gietlepeltje gietlepeltjes

Zelfstandig naamwoord

gietlepel m

  1. grote lepel met houten steel om gesmolten lood in de vorm te gieten
  2. kleine, van een steel voorziene bak, waarin gesmolten metaal wordt opgevangen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be