gesluip

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·sluip
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gesluip
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gesluip o

  1. het zich voortdurend op een stille, verborgen, geheimzinnige manier voortbewegen
    • Beelden van bewakingscamera's tonen dat een man met een bivakmuts in de vroege ochtend van 2 januari ogenschijnlijk rustig het restaurant binnenwandelt. In het programma wordt gemeld dat de politie later geen braaksporen heeft gevonden, dus het lijkt er op dat de man een sleutel had. De politie maakt verder uit zijn gesluip op dat hij weet dat er boven een appartement is waar de kok ligt te slapen. [1] 
    • En ik heb me dat nachtelijk gesluip door die wijken, op grond van haar verhalen, ook altijd goed kunnen voorstellen. [2] 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen