gelid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lid
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gewricht’ voor het eerst aangetroffen in 1301 [1]
  • van Middelnederlands gelid[2]
  • afgeleid van lid met het voorvoegsel ge-[2]
  • het meervoud is ontstaan naar analogie van andere collectieve meervouden (zie -eren)[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gelid gelederen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gelid o

  1. een naast elkaar opgestelde rij
    • Er was onrust in de gelederen. 
Uitdrukkingen en gezegden

In het gelid staan.

  • Zich conformeren.

Uit het gelid lopen.

  • Zich niet conformeren.

in het voorste gelid lopen.

  • Gangmaker van iets zijn.

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen