geklungel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·klun·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geklungel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geklungel o

  1. het onhandige handelen
    • Het geklungel van de dronken timmerman zorgde voor een scheve tafel. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.