gefriemel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·frie·mel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gefriemel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gefriemel o

  1. steeds maar onrustig, nutteloos kleine vinger bewegingen maken
    • Plakken, knippen, prikken, verven... Dat creatieve gefriemel en gefreubel met wc-rollen, papier, karton en allerlei ander frutsels, in een woord: verschrikkelijkIk was als kind blij dat ik er van af was, maar nu ik zelf kinderen heb, zit ik er weer middenin. En het erge is dat de school van mijn kinderen het heel natuurlijk vindt om de ouders in al dat knutselgeweld te betrekken.[1] 
  2. (figuurlijk) seksueel getint lichamelijk contact
    • 'Schuren', het is razend populair onder tieners. Maar wat is effect van dit nauwe contact? UvA-onderzoekster Sylvia Holla, nam dit befaamde fenomeen onder de loep en ging voor haar onderzoek ruim vijf maanden undercover in een dancing om het gefriemel van pubers te observeren. Wat blijkt? Schuren is erg belangrijk[2] 
    • Ik merk dat ik van de weeromstuit steeds minder zin in hem krijg. Ik word helemaal gek van zijn gefriemel en geplukIk wil weleens samen een tv-serie kijken zonder dat mijn borsten worden aangeraakt. Of naast hem in slaap vallen na alleen een knuffel.[3] 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf DE BIECHTMOEDER 23 apr. 2014
  2. de Telegraaf 06 jan. 2016
  3. de Telegraaf 06 jan. 2016