geeft
Uiterlijk
- geeft
| vervoeging van |
|---|
| geven |
geeft
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geven
- Jij geeft.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geven
- Hij geeft.
- (verouderd) gebiedende wijs meervoud van geven
- Geeft!
- ▸ ' Lawries hand bleef op de deur van de ijskast liggen. 'O. Sorry. En dan ratel ik maar door over ' 'Geeft niet. Nee, echt.' Ik was ineens verlegen en wilde dat hij gewoon de melk pakte en zich daar verder mee bezighield.[1]
- ▸ we lachten wel een minuut lang, met die steek in je buik als je gewoon niet meer kunt ophouden - dat een moeder je zomaar een andere naam geeft, dat een moeder zomaar dood kan gaan en dat je dan in een keuken staat, om de hoek bij het British Museum, met gele huishoudhandschoenen aan Lawrie draaide zich helemaal om, met de melkfles bungelend hand.[1]
- ▸ En dat ik hier schilder, geeft me ook een vrij gevoel.[1]
- Het woord geeft staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 3 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704