gebiedend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bie·dend
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gebiedend gebiedender gebiedendst
verbogen gebiedende gebiedendere gebiedendste
partitief gebiedends gebiedenders -

Bijvoeglijk naamwoord

gebiedend

  1. bevelend, commando's gevend, dwingend
    • De dictator kon alleen op gebiedende wijs tot zijn onderdanen spreken. 

Werkwoord

vervoeging van
gebieden

gebiedend

  1. onvoltooid deelwoord van gebieden

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.