geagiteerd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·agi·teerd
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen geagiteerd geagiteerder geagiteerdst
verbogen geagiteerde geagiteerdere geagiteerdste
partitief geagiteerds geagiteerders -

Bijvoeglijk naamwoord

geagiteerd [1]

  1. in een staat van nerveuze opwinding
Afgeleide begrippen

Deelwoord

deelwoord
onverbogen geagiteerd
verbogen geagiteerde
vervoeging van
agiteren

geagiteerd voltooid deelwoord van agiteren

  1. vormt de voltooide tijden
    • Hij heeft daarvoor lang geagiteerd. 
  2. vormt de onpersoonlijke lijdende vorm
    • Er werd daar veel voor geagiteerd. 
  3. (vrij zeldzaam) vormt de lijdende vorm
    • Ik werd erdoor geagiteerd 
  4. vormt ergatieve constructies met het hulpwerkwoord raken
    • Hij raakte daar flink geagiteerd door. 
  5. attributief gebruikt
    • De geagiteerde man sloeg wild om zich heen. 
  6. bijwoordelijk gebruikt
    • Enigszins geagiteerd nam hij het woord. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen