ganzenpen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gan·zen·pen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ganzenpen ganzenpennen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ganzenpen v/m [1]

  1. veer van een gans die men als men kan gebruiken

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.


Verwijzingen