francofiel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fran·co·fiel
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van France ?? en met het achtervoegsel -fiel
enkelvoud meervoud
naamwoord francofiel francofielen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

francofiel m

  1. liefhebber van al wat Frans is
Synoniemen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen francofiel francofieler francofielst
verbogen francofiele francofielere francofielste
partitief francofiels francofielers -

Bijvoeglijk naamwoord

francofiel

  1. een voorliefde hebbend voor alles wat Frans is

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be