formaliteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • for·ma·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uiterlijke vorm, plichtpleging’ voor het eerst aangetroffen in 1663 [1]
  • Van het Engelse formality of het Franse formalité, van het Latijnse 'formalis' met het achtervoegsel -iteit
enkelvoud meervoud
naamwoord formaliteit formaliteiten
verkleinwoord formaliteitje formaliteitjes

Zelfstandig naamwoord

formaliteit v

  1. een uiterlijke vorm die men bij een handeling in acht neemt
    • We gaan niet over formaliteiten discussiëren, je hebt je er gewoon aan te houden! 
  2. iets wat enkel omwille van de vorm gebeurt
    • De formaliteit was nogal onnodig. 
    • In de eerste plaats was het een 'plicht ten opzichte van het vaderland' (die woorden verrasten Albert, dat had hij haar nog nooit horen zeggen), in de tweede plaats was er niet echt reden om bang te zijn, het was vrijwel een formaliteit. [2] 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen