flop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flop
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘mislukking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord flop floppen
flops
verkleinwoord flopje flopjes

Zelfstandig naamwoord

flop m

  1. mislukking, fiasco
    • De voorstelling was een complete flop. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
floppen

flop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van floppen
    • Ik flop. 
  2. gebiedende wijs van floppen
    • Flop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van floppen
    • Flop je? 

Verwijzingen