fenotype
Uiterlijk
- fe·no·ty·pe
- in de betekenis van ‘verschijningsvorm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1926 [1]
- uit het Oudgrieks φαίνω, phaínô (tonen, (laten) (ver)schijnen) en τύπος, tupos (type)
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | fenotype | fenotypen, fenotypes |
| verkleinwoord |
het fenotype o
- het aanzicht van een organisme
- het geheel van macroscopische en microscopische kenmerken, zoals kleur, aanzicht, chemische samenstelling, ... dat een soort onderscheidt
- Het woord fenotype staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "fenotype" herkend door:
| 71 % | van de Nederlanders; |
| 76 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "fenotype" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be