erker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
een erker

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • er·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘uitbouw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord erker erkers
verkleinwoord erkertje erkertjes

Zelfstandig naamwoord

erker m

  1. (bouwkunde) uitbouw aan een gevel waardoor een kamer boven de straat of tuin uitspringt, vaak met veel ramen zodat er meer licht in de kamer valt
    • De net bijgebouwde erker zorgde voor wat meer schaduw in de tuin. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen