egotrip

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ego·trip
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘activiteit ter verhoging van het zelfgevoel’ voor het eerst aangetroffen in 1975 [1]
  • samenstelling van  ego  en  trip  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord egotrip egotrips
verkleinwoord egotripje egotripjes

Zelfstandig naamwoord

egotrip m

  1. activiteit hoofdzakelijk ter vergroting van het ego van de eigen (zelfingenomen) persoon
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
egotrippen

egotrip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van egotrippen
    • Ik egotrip. 
  2. gebiedende wijs van egotrippen
    • Egotrip! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van egotrippen
    • Egotrip je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen