duts

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • duts
enkelvoud meervoud
naamwoord duts dutsen
verkleinwoord dutsje dutsjes

Zelfstandig naamwoord

duts m

  1. sukkel, onnozel persoon
    • Och wat ben jij toch een enorme duts. 
  2. iemand die iets naars heeft meegemaakt en waarmee je dus medelijden hebt
Synoniemen
  1. stumper, sufferd

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be