duopak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • duo·pak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duopak duopakken
verkleinwoord duopakje duopakjes

Zelfstandig naamwoord

duopak v/m

  1. verpakking waarin twee gelijke verpakkingen zitten
    • In de supermarkt verkopen ze een duopak aardappelschijfjes. 

Gangbaarheid