dualis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·a·lis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dualis dualissen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dualis m

  1. (grammatica) tweevoud als getal tussen enkelvoud en meervoud bij de verbuigingen in sommige talen
    • Verder heeft het Gotisch verschil in persoon (1e, 2e en 3e) en numerus (getal): singularis, pluralis maar ook nog dualis. Vgl. nima ‘ik neem’, nimos ‘wij beiden nemen’, nimam ‘wij nemen’. [1]

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
41 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen