disgenoot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dis·ge·noot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord disgenoot disgenoten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

disgenoot m [1]

  1. iemand waarmee je samen een maaltijd gebruikt
    • Een paar honderd meter verderop, in bistro De Kolenbrander, gaat de familie Töpfer uit Eibergen aan tafel. Perfect, vindt vader Töpfer het rookverbod. Niets smerigers dan een rokende disgenoot, als je net van je hoofdgerecht zit te genieten. Zijn dochters zijn vooral blij dat er ook in discotheken niet meer gerookt mag worden, want ze hebben op de dansvloer al een aantal keren een brandende peuk tegen hun blote arm gehad. [2] 
    • Mensen die meer dan 1000 dollar weten in te zamelen voor 1 september aanstaande, maken kans een vorkje te prikken met 'Dr. McDreamy'. Leuk extraatje is dat de acteur dit etentje bij hem thuis in Kennebunkport zal geven. De disgenoten van Patrick worden door officials geselecteerd en mogen elk een gast meenemen. [3] 
Synoniemen
81 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.

Verwijzingen