dichters

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dich·ters

Zelfstandig naamwoord

dichters mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dichter

Bijvoeglijk naamwoord

dichters

  1. partitief van de vergrotende trap van dicht