deinzen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dein·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘achteruitwijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
deinzen
deinsde
gedeinsd
zwak -d volledig

Werkwoord

deinzen

  1. ergatief van schrik een ontwijkende beweging maken.
    • Zij deinsde en haar oogen knipten, of een felle flits ervoor verschoot.[2] 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen