dansles

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dans·les
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dansles danslessen
verkleinwoord danslesje danslesjes

Zelfstandig naamwoord

dansles v/m

  1. (dans) (onderwijs) onderwijs in dansen gedurende een kortere periode
    • De complete danscursus bestaat uit 30 danslessen. 
  2. de complete danscursus
    • De jongen vond het vreselijk dat hij op dansles moest. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.