daaropvolgend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • daar·op·vol·gend
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen daaropvolgend
verbogen daaropvolgende
partitief daaropvolgends

Bijvoeglijk naamwoord

daaropvolgend

  1. wat later komt dan wat eerder is genoemd
    • Op zijn verjaardag vieren we in het gezin feest. Het weekend daaropvolgend vieren we het in de familie. 
    • 10 jaar geleden nam hij een jaar rust, maar de daaropvolgende jaren was hij extra druk. 

Gangbaarheid