daaropvolgend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • daar·op·vol·gend
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen daaropvolgend
verbogen daaropvolgende
partitief daaropvolgends

Bijvoeglijk naamwoord

daaropvolgend

  1. wat later komt dan wat eerder is genoemd
    • Op zijn verjaardag vieren we in het gezin feest. Het weekend daaropvolgend vieren we het in de familie. 
    • 10 jaar geleden nam hij een jaar rust, maar de daaropvolgende jaren was hij extra druk. 
     Het daaropvolgende uur werd gekenmerkt door gezellige borrelpraat en een drinktempo van Joop en Coby waarmee Jeroen en Chantal zich niet konden en wilden meten.[1]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2