contextueel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·tex·tu·eel
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen contextueel contextueler contextueelst
verbogen contextuele contextuelere contextueelste
partitief contextueels contextuelers -

Bijvoeglijk naamwoord

contextueel

  1. de context betreffend, op de context berustend, in de context aanwezig

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.