coaguleren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·a·gu·le·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
coaguleren
coaguleerde
gecoaguleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

coaguleren

  1. (overgankelijk) een proces van uitvlokking doen ondergaan
    De toevoeging van stremsel coaguleerde het eiwit in de melk.
  2. (ergatief) een proces van uitvlokking ondergaan
    Doordat de ionsterkte te hoog was is dit colloïd gecoaguleerd.