coaguleren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·a·gu·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘klonters vormen’ voor het eerst aangetroffen in 1650 [1]
  • afgeleid van het Franse coaguler (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
coaguleren
coaguleerde
gecoaguleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

coaguleren

  1. overgankelijk een proces van uitvlokking doen ondergaan
    • De toevoeging van stremsel coaguleerde het eiwit in de melk. 
  2. ergatief een proces van uitvlokking ondergaan
    • Doordat de ionsterkte te hoog was is dit colloïd gecoaguleerd. 

Gangbaarheid

Verwijzingen