clanlid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • clan·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord clanlid clanleden
verkleinwoord clanlidje clanlidjes

Zelfstandig naamwoord

clanlid o

  1. lid van een clan

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.