carbolineum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een houten paal behandeld met een overmaakt aan carbolineum
Uitspraak
Woordafbreking
  • car·bo·li·ne·um
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord carbolineum carbolineums
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

carbolineum o [1]

  1. steenkoolproduct dat men gebruikt om hout te beschermen tegen weersinvloeden, het mag niet meer gebruikt worden i.v.m. de kankerverwekkende eigenschappen
    • De lucht van carbolineum, dat is een pasgeverfd kippenhok in een groene tuin. De zon schijnt, een man zit tevreden op een bank, het is mijn vader. Dan heb je spaanplaat, van die goedkope soort, met grove vlokken hout. Dat ruikt naar de noodgebouwen waarin de klassen 1 en 2 les kregen. De verveling is terug, de angst, de zware schooltas. Of de zwaveldamp in Oost-Duitsland. Dat zijn de kolenkachels van vroeger. Maar 't is meer, het is ook de as op het tuinpad, het is met één been in de jaren vijftig staan. Cadumzeep, dat is een meisje in de bus op Terschelling, het was in 1961. Nieuw linoleum brengt me terug in de kleuterschool. Zo zijn er tientallen dingen die het raam in je hoofd doen openzwaaien. Benzine die op een hete motor drupt, een stuk oud glas, zaagsel, vers drukwerk, een warme haardroogkap, nieuw karton, mest op bevroren land - soms is het hoofd een scheikundedoos.[2] 
    • Mijn vader vertoont op bezoek in Servië ongezonde belangstelling voor verfwinkels. Hij scant het interieur op zoek naar blikken loodmenie mét lood of carbolineum. In Nederland verboden vanwege de gezondheidsrisico’s, maar schijnbaar oh zo effectief om bielzen en ander buitenhout tegen rot te beschermen.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Warna Oosterbaan 19 oktober 1994
  3. NRC Marloes de Koning 10 december 2011