canciller

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • can·ci·ller
enkelvoud meervoud
canciller cancilleres

Zelfstandig naamwoord

canciller m/v

  1. (politiek) kanselier
    «La canciller Merkel amenaza con cancelar la cumbre presupuestaria europea.[1]»
    Kanselier Merkel dreigt ermee de Europese begrotingstop af te blazen.

Verwijzingen

  1. Rosalía Sánchez, in El Mundo (22 oktober 2012).