cachetteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·chet·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
cachetteren
cachetteerde
gecachetteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

cachetteren

  1. overgankelijk iets (bijv. met lak) verzegelen
    • Een gecachetteerde akte. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.