brushleer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brush·leer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brushleer brushleren
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

brushleer o

  1. geruwd leer

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
25 % van de Vlamingen.

Verwijzingen