brouwkuip

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brouw·kuip
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brouwkuip brouwkuipen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

brouwkuip v/m [1]

  1. breed bassin waarin men het bierbeslag maakt
     ,,Ik mag niet want als kind ben ik in de brouwkuip gevallen’’, zegt hij met een kwinkslag naar stripheld Obelix, die als kind in de ketel met toverdrank viel.[2]
     Het laatste ven op de route, is de Brouwkuip. Oisterwijkers hebben het ven deze naam gegeven, omdat bierbrouwers hun kuipen in dit ven reinigden.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Gep Leeflang “Eerst 3000 flesjes leegmaken, daarna bierdip in Apeldoorn” (25 aug. 2019), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron NATUURMONUMENTEN “Wandelroute 17: Vennenwandeling, vlakbij Oisterwijk” (17 okt. 2016), De Telegraaf