brommen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brom·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
brommen
bromde
gebromd
zwak -d volledig

Werkwoord

brommen

  1. (inergatief) een laag rommelend geluid voortbrengen
    Er werd als antwoord wat gebromd, maar duidelijkheid kwam er niet.
  2. (ergatief) op een bromfiets ergens heengaan
    Ik ben wel eens naar Giessendam gebromd.
  3. (inergatief) op een bromfiets rijden
    Hij had heel wat gebromd voordat hij zijn motorrijbewijs ging halen.