braakt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • braakt

Werkwoord

vervoeging van
braken

braakt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
    • Jij braakt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
    • Hij braakt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van braken
    • Braakt!